Naar inhoud springen

Pagina:Sallustius, Jugurtha (vert. Busken Huet, 1894).pdf/95

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

hem steeds een hooger rang waardig keurde dan die welke hij reeds bekleedde. Evenwel durfde Marius, ondanks al zijn verdiensten, zich op dat oogenblik (later raakte door de ambitie zijn hoofd aan het draaien) nog niet kandidaat stellen voor het consulaat. De overige magistraturen hingen af van de stemmen van het volk, maar het consulaat werd toen nog beschouwd als een eigendom van den adel. Hoe gunstig bekend en door daden uitstekend een parvenu ook wezen mocht, men beschouwde hem als die eer onwaardig en als te onrein, om die betrekking te bekleeden.



LXIV.


Toen Marius evenwel door de voorspelling van den waarzegger zijn eigen geheime wenschen zag bevestigen, vroeg hij aan Metellus een verlof, teneinde zich [te Rome] kandidaat te stellen. Ofschoon Metellus uitmuntte door dapperheid, wapenroem en andere gaven, die een man tot eer verstrekken, had hij evenwel een minachtende en trotsche inborst, gewoon gebrek der aristokratie. Hij toonde zich eerst verbaasd over Marius' ongewoon verzoek, betuigde verwondering over zijn plan, en gafhem, als uit vriendschap, den raad zulk een waagstuk niet te begaan, en niet hooger te willen streven dan zijn fortuin hem toeliet; niet allen moesten alles begeeren, zijn tegenwoordige positie moest hem genoeg zijn; hij moest er, ten slotte, zich wel voor wachten, van het Romeinsche volk een post te vragen, die men hem met recht kon weigeren. Nadat hij dit gezegd had, en Marius