Naar inhoud springen

Pagina:Sallustius, Jugurtha (vert. Busken Huet, 1894).pdf/97

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

LXV.


Er was bovendien in ons leger een zekere Numidiër Gauda genoemd, zoon van Mastanabal en kleinzoon van Masinissa, die door Micipsa in zijn testament als tweede erfgenaam was genoemd, ziekelijk en om die reden een weinig zwak van geest. Metellus had diens verzoek, zijn zetel naast den Romeinschen bevelhebber te mogen plaatsen, zooals andere koningen, afgeslagen, evenals later zijn aanvraag om een bende Romeinsche ruiters, ter bescherming: het eerbewijs, omdat het alleen aan hen werd toegestaan, die het Romeinsche volk als konin gen erkend had; de lijfwacht, omdat het voor Romeinsche ruiters onteerend zou zijn, als gevolg aan een Numidiër te worden afgestaan. Tot dezen teleurgestelden persoon wendde zich Marius, en maande hem aan, de beleedigingen hem door den opperbevelhebber aangedaan, met zijn hulp te wreken. Hij prijst den door ziekte zwakhoofdig geworden man in een met diens gevoelens overeenkomende lofrede: hij was een wettig koning, een gewichtig man, kleinzoon van Masinissa; werd Jugurtha gevangen of gedood, dan zou hij aanstonds meester van Numidië zijn; dit zou onmiddellijk plaats hebben, indien Marius-zelf als consul met de leiding van den oorlog belast werd. Zoo werden Gauda, de Romeinsche ridders, soldaten en kooplieden gedeeltelijk door de intrigues van Marius, gedeeltelijk door de hoop het einde van den oorlog te verhaasten, er toe gebracht, in brieven aan hun vrienden te Rome zich bitter over Metellus' wijze van oorlog