VIII
vele, zoo als de شعير كن تمبوهنSjaïr Kin Temboehan, شعير بيدساري Sjaïr Bidasari, شعير ايكنSjaïr Ikan, شعير الكرنيSjaïr Anggrenei, شعيراجرانقSjaïr adjar anakh, شعير كراشن بنتنSjaïr Kerangan Bantan, شعير سلمباريSjaïr Selimbari, en tallooze meer. Maar onder dezen zijn de beide eersten de meest beroemde. Daar echter de Kin Temboehan door de uittreksels bij Marsden reeds eenigzins bekend is , heb ik mij bij de Sjaïr Bidasari bepaald. Het is een uitgebreid dichtstuk , uit ongeveer 7000 regels bestaande,[1] en in zes قصةafdeelingen of zangen verdeeld.
In den eersten zang brengt de dichter zijne lezers aan het hof van den Sultan van Kembajat. Hij schildert het geluk van dien even magtigen als wijzen en regtvaardigen vorst: — maar ziet ! daar brengt eensklaps eene ontzettende gebeurtenis schrik en ontroering in zijne hoofdstad. Een garoeda (een fabelachtig monster, in de Indische mijthologie algemeen bekend) zweeft met zijne onheilspellende wieken boven het vorstelijk paleis, brengt vrees en ontzetting in het gansche land, en doet den ontstelden vorst met zijne gemalin den zetel van zijn rijk verlaten. Maanden lang
- ↑ De Heer Dulaurier geeft in zijn Catalogue des M. S. S. Malays etc. (Journal Asiatique Juillet 1840 , pag. 67) op, dat het M. S. door hem vermeld, uit 6000 versen bestaat. Is deze opgave juist, dan is dat Handschrift waarschijnlijk niet volledig.