Pagina:Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans.pdf/101

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen
83

den boom schieten,” waarop hij dit ook werkelijk deed, en de duif in een doornbosch zag nedervallen. Toen spoedde de monnik daarheen, sta.pte vlug over de vooraan staande doornstruiken en nam de duif op. De kleine Frits had intusschen zijne viool genomen en begon er braaf op te strijken, zeggende: „ik moet toch eens zien of mijne viool goed is.” Terwijl de strijkstok op- en afging, hoorde hij een recht vroolijken dans, ofschoon hij nooit het vioolspelen geleerd had. Nauwelijks hoorde de monnik het vroolijke spel, of hij begon dadelijk in de doornen rond te springen, hoe moeielijk hem zulks ook viel, want hij was zeer dik en had zich welgemest. Hij sprong zoodanig in de hoogte dat de eieren in zijnen knapzak braken en de gele saus langs zijn kleed druppelde; hij huppelde niettemin dermate voort, dat zijn buik er van waggelde, en kuchte en riep: „Houd op, mijn zoon! houd op! anders moet ik mij nog dood dansen.”

„Neen”, zeide Frits, „pas op, thans speel ik den hopsadans, die is nog veel vroolijker !” en begon hierop op nieuw te spelen, waardoor de monnik zich bijkans buiten adem moest dansen. Dit vermaakte het knaapje bovenmate, bijzonder omdat de doornen en distels altijd aan het kleed van den monnik bleven hangen en hem op deze wijze vasthielden, ofschoon hij zich altijd wilde lostrekken; waardoor dan ook gedurig lappen van zijn kleed in de struiken bleven hangen. De monnik mocht bidden en smeeken zooveel hij wilde, het knaapje stoorde zich hieraan echter in geenen deele, maar speelde daarom niet minder voort.