Pagina:Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans.pdf/107

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen
89

dat gij mij verlof geeft, mij voor mijn einde nog eens met haar te mogen verheugen, en, mij en u ter opwekking, nog eeue enkele keer daarop te mogen spelen.”

Op deze vraag zeide de monnik tot den rechter : „mijnheer de rechter, weiger hem dit volstrekt, indien gij niet wilt dat ons einde daar zal zijn.” Maar de rechter sprak: „een billijk verzoek mag men aan eenen ter dood veroordeelde nooit weigeren, ofschoon hij ook reeds op de doodsladder staat.” Hierop keerde hij zich tot zijnen dienaar Houd vast, en beval hem, den kleine zijne viool te brengen. Ons knaapje ontving haar met vreugde en begon dadelijk te spelen. Op hetzelfde oogenblik zag men de kinderen van alle kanen ook reeds dansende nabij komen. Kort hierna zeide de beul: „ik moet vooraf eens dansen, ik kan het niet laten!” Hij klom hierop naar beneden en begon onder de galg te dansen. De rechter zag dit alles aan, en zag ook hoe Houdvast, de dienaar, den boog van het knaapje tegen den ladder plaatste, om zooveel te beter te kunnen dansen, en toen hij iedereen rondom zich dansen zag, riep hij: „Ei, als een ieder danst, waarom zal ik dan de eenige zijn, die dit niet doet?” Hij begon nu ook te dansen. Toen de monnik dit zag, riep hij : „ik moet ook dansen en vroolijk zijn!” Deze danste nu ook mede. Hij werd echter spoedig moede, dewijl hij eeuen ontzettend dikken buik had. om deze reden sprak hij ook tot den rechter: „Och, mijn lieve heer rechter ! Laat hem toch ophouden! Het is immers schande, dat wij hier zoo