Pagina:Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans.pdf/109

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen
91

grond zag liggen, begon hij hartelijk te lachen, omdat hij zich door zijn spel zoo goed van de galg gered had, en ging hierop naar andere oorden en in andere steden; overal verdiende hij met zijne viool veel geld. Hij maakte daarbij vele potsen, zoodat men hem overal noemde: de kleine Frits met zijne viool. En hij leefde op deze wijze altijd vroolijk en in vreugde, totdat hij een oud mannetje geworden was en stierf.

Toen hij gestorven was, sprongen alle snaren van zijne viool. Velen beproefden nieuwe snaren daarop te spannen, doch konden er niet anders op spelen dan op iedere andere viool; en wanneer er een of andere dans op gespeeld werd, moest ook niemand daarnaar dansen dan diegenen, die anders buitendien gedanst zouden hebben, – zij was, met één woord, na den dood van Frits een viool gelijk alle andere.

 

 


De voordeelige koop.

 

Een boer, die zijn kalf op de markt voor zeven gulden verkocht had, kwam bij zijne terugkomst van daar langs eene sloot, waarin hij reeds van verre de kikvorschen hoorde schreeuwen: ak, ak ! ak, ak ! „Ja,” zeide hij bij zich zelven, „die schreeuwen ook in den wind; zeven gulden zijn het die ik ontvangen heb, geen acht.”

Toen hij aan de sloot gekomen was, riep hij tot