Pagina:Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans.pdf/112

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen
94

in te brengen?” „Ach,” antwoordde de boer, „de kikvorschen en de honden hebben mij het mijne ontnomen, en de slager heeft mij daarvoor met den stok betaald,” eu verhaalde aldus wijdloopig hetgeen met hem gebeurd was. De koningsdochter begon hierover hartelijk te lachen en de koning sprak tot hem : „ik geef u hierin geenszins gelijk, maar ik zal u mijne dochter ten huwelijk schenken, daar gij de eerste zijt, die haar hebt doen lachen, hetwelk nog aan niemand anders heeft willen gelukken, en ik heb haar dengene toegezegd, over welken zij het eerst lachen moest, daar zij dit gedurende geheel haar leven nog nooit heeft gedaan. Gij moogt God voor uw geluk danken.”

„O,” antwoordde de boer, „ik wil haar niet eens hebben; ik ben reeds getrouwd en heb mijne vrouw te huis gelaten, waar ik hoop haar bij mijn terugkom t te mogen vinden.” Hierdoor ontstak hij des konings gramschap, waarop deze tot hem zeide: „ik zal u voor uwe lompheid anders beloonen; ga thans heen, maar kom over drie dagen terug, dan zal ik vijfhonderd aan u doen uitbetalen.”

Toen de boer de deur uitging, werd hem door den schildwacht gevraagd, of hij de koningsdochter aan het lachen gemaakt en iets goeds daarvoor bekomen had. „Ja, dat geloof ik,” antwoordde de boer, „vijfhonderd zullen aan mij worden uitbetaald.” „Hoor,” zeide de soldaat, „geef mij er wat van; wat wilt gij toch met al dit geld beginnen?” „Nu,” hernam de boer, „omdat gij het zijt, moogt gij er tweehonderd van hebben; meld u slechts binnen drie dagen bij den