Pagina:Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans.pdf/113

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen
95

koning aan, en laat u aldaar uitbetalen.” Een jood, die dit gesprek mede had aangehoord, liep den boer achterna en hield hem bij den rok vast, zeggende: „Gods wonder, wat zijt gij voor een gelukskind! Ik wil het u verwisselen voor goed klein geld, wat doet gij met die harde daalders?” „Mousje,” zeide de boer, „driehonderd zijn nog tot uw dienst, geef mij hiervoor maar dadelijk kleingeld; heden over drie dagen kunt gij daarvoor bij den koning uwe betaling krijgen.” De jood was verblijd over dit profijtje en gaf den boer de gevraagde som in slecht en gesnoeid geld. Na verloop van drie dagen ging de boer tot den koning, ingevolge zijn bevel. „Trek uw rok uit,” sprak deze, „gij zult uwe vijfhonderd hebben.” „Ach! hernam de boer, zij behooren mij niet meer; tweehonderd heb ik den schildwacht vereerd, en driehonderd heeft mij een jood ingewisseld; van rechtswege komt mij er niets meer van toe.” Onderwijl kwamen de soldaat en de jood binnen om het hunne te vorderen, dat dan ook in stokslagen aan hen werd uitbetaald. De soldaat verdroeg het geduldig; deze wist reeds hoe het smaakte; maar de jood begon te schreeuwen: „au waai! Zijn dit de harde daalders ?” De koning moest nu over de klucht met den boer hartelijk lachen, en daar zijne boosheid voorbij was, sprak hij : „daar gij uw loon reeds verloren hebt voordat gij het ontvangen hadt, zal ik u schadevergoeding geven; ga in mijne schatkamer en haal aldaar zooveel geld als gij hebben wilt.” Dit liet de boer zich geen tweemaal zeggen, maar ging terstond heen en stak zijne zakken vol;