Pagina:Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans.pdf/146

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen
128
 

Kluchtig sprookje van dokter al-wetend.

 

Er was eens een arme boer, Kreeft genoemd, die met twee ossen en eene vracht hout naar de stad reed, en dit aldaar voor twee gulden aan eenen dokter verkocht. Toen hij het geld ontving, zat de doktor juist aan tafel ; de boer zag hem zoo lekker eten en drinken, dat hij ook wel wenschte om eens dokter te wezen. Nadat hij dit nog eenigen tijd had aangezien, vroeg hij eindelijk, of hij ook geen dokter zou kunnen worden. „O ja,” hernam de dokter, „dat kan spoedig geschieden; koop u dan vooreerst een ABC-boek, zulk een, waar vooraan een groote haan in staat; maak uwen wagen en uwe beide ossen te gelde, en koop u hiervoor kleederen en hetgeen meer tot den dokterstaat behoort; laat vervolgens een uithangbord schilderen, met de woorden: Ik ben dokter alwetend, en doe dit boven uwe huisdeur spijkeren.” De boer deed alles, zooals de dokter hem gezegd had. Toen hij een weinig, doch niet veel, gedokterd had, werd er van een' rijken heer geld gestolen. Deze hoorde al spoedig van eenen dokter alwetend spreken, die in een dorp in de nabijheid woonde en alzoo ook weten moest in wiens handen het geld gekomen was. De rijke heer liet hierop zijnen wagen inspannen en reed naar het dorp, waar dokter alwetend woonde. Toen hij aan zijne woning gekomen was, klopte hij aan en vroeg aan den boer of hij dokter alwetend was. „Ja,