Pagina:Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans.pdf/57

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen
43

uit en liet zich eenen geheelen emmer vol grondels brengen, en des nachts toen de jonge koning sliep moest zijn gemalin de dekens wegtrekken en den emmmer vol met grondels over hem uitstorten, zoodat de kleine vischjes rondom hem zwommen. Toen ontwaakte de koning verschrikt en riep: „Ach, wat ben ik bang, lieve vrouw! Ja, nu weet ik wat bang wezen is.”

 

 


Het aardmannetje.

Er is eens een rijk koning geweest, die drie dochters had. Deze prinsessen gingen alle dagen in den tuin wandelen. Nu was de koning een groot liefhebber van vreemde boomen ; één boom had hij zoo lief, dat hij dengene die er een appel van plukte, honderdduizend voet onder de aarde verwenschte. Toen het nu herfst geworden was, werden de appelen zoo rood als bloed. De drie dochters gingen alle dagen kijken of er geen afgewaaid was, maar zij vonden er nooit een, en de boom zat zoo vol, zoo vol, dat de takken tot op den grond hingen. De jongste kreeg lust om er een van te snoepen en zeide tot hare zusters : „vader heeft ons veel te lief, dan dat hij ons zoude verwenschen; ik geloof dat hij dat maar voor de vreemden meent.” Ondertusschen plukte zij een grooten appel, ging bij hare zusters en zeide: „Toe lieve zusters, proeft toch eens, nog nooit heb ik iets geproefd dat zoo lekker was.” Toen proefden hare zusters van den appel, en