Pagina:Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans.pdf/58

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen
44

toen verzonken zij alle drie zoo diep, zoo diep onder den grond, dat er geen haan meer naar kraaide.

Des middags wilde de koning haar gaan roepen om te eten, maar zij waren niet te hooren of te zien, en nergens kon hij ze vinden. Toen werd hij zoo bedroefd als hij ooit geweest was en liet door het geheele land bekend maken, dat degene die hem zijne dochters terugbracht, eene van haar tot vrouw zou hebben. Meest alle jongelingen gingen zoeken; want iedereen wilde gaarne eene der dochters hebben, omdat zij zoo schoon, en jegens elk zoo vriendelijk waren. Ondertuschen waren er ook drie jagers op uit, gegaan, en toen zij wel een dag of acht gereisd hadden, kwamen zij aan een groot kasteel, waarin vele groote kamers waren; in eene der kamers stond een gedekte tafel met kostelijke spijzen, nog zoo warm dat zij dampten; maar in het kasteel was anders geen mensch te hooren of te zien. Toen wachtten zij nog een halven dag, en het eten bleef altijd warin; op het laatst kregen zij honger, zoodat zij zich aan tafel zetten en aten, en met elkander overlegden om in hei ka teel te blij ven wonen. Toen werd geloot wie te huis zoude blijven; de twee overigen zouden de koningsdochter gaan zoeken; het lot trof den oudste.

Den volgenden morgen gingen de twee jongsten op reis, terwijl de oudste moest thuis blijven. De middags kwam een klein mannetje bij hem en vroeg om een stukje brood; hij nam het brood, dat hij daar gevonden had, sneed er een stukje af en wilde het hem geven, maar bij het overreiken liet het mannetje het