Pagina:Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans.pdf/61

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen
45

brood vallen en zeide: „wees zoo goed en raap het voor mij op.” Toen hij dit doen wilde en bukte, nam het mannetje een stok, pakte hem bij den kraag en gaf hem een klap. Den volgenden dag was het de beurt van den tweede om te huis te blijven; dezen ging het niets beter. Toen de twee des avonds thuis kwamen, zeide de oudste: „nu, hoe is het u gegaan?” - „O, het is mij slecht gegaan!” Toen klaagden zij hunnen nood aan elkander, maar zij zeiden hiervan niets aan den jongste, want zij mochten hem in het geheel niet lijden en noemden hem altijd domme hans, omdat hij niet hoovaardig was. Des anderen daags bleef de jongste te huis; toen kwam het kleine mannetje wederom en vroeg om een stukje brood, en zoodra hij het ontvangen had, liet bij het weder vallen en vroeg of de ander zoo goed wilde zijn om het voor hem op te rapen. Doch de jongste broeder antwoordde: „wat! kunt gij dat stukje niet zelf oprapen? Als het dagelijksch brood u geene moeite waardig is, zijt gij ook niet waardig, dat gij het eet.” Toen werd het mannetje kwaad en gelastte den jager het op te rapen; maar deze niet lui nam het mannetje en roste hem wakker af; het mannetje begon erbarmelijk te schreeuwen en riep: „houd op, houd op en laat mij los, dan zal ik u ook zeggen waar de koningsdochter is.” Zoodra de jager dit hoorde hield hij op met slaan, en toen vertelde het mannetje hem, dat hij een aardmannetje was, en dat er zoo meer dan duizend waren; als de jager medeging, zou hij hem wijzen waar de koningsdochter was. Toen wees hij hem eenen diepen put, waarin