Pagina:Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans.pdf/98

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen
80

weder een gekke wensch, Frits! wensch u nu iets van meer belang.”

Frits gaf hem hierop den tweeden cent en zeide: „Ik wensch, voor het laatst, dat niemand mij iets weigeren moge, dat ik hem voor de eerste maal verzoeken zal.”

„Dat is nu eenmaal iets goeds!” hernam de vreemdeling. „Dezen wensch zal ik met vreugde vervullen. Ga slechts heen, het zal zoo geschieden.” Frits gaf hem nu ook zijn laatsten cent. — Intusschen verhief zich een zachte wind boven de bergtoppen, en het kwam ons knaapje voor, alsof hij een dikken nevel zag, die door den wind werd weggevoerd. Toen dit ophield zag hij den vreemdeling niet meer, die met den nevel verdwenen was.

Nu lachte Frits in zijn vuistje, en was hartelijk verblijd met zijne kostelijke geschenken ; hij begon op een been te huppelen, hield in de eene hand zijn boog, in de andere zijne viool en riep gedurig: „Dat was een gekke vent met zijn mistkleed! Dat was een gekke vent!” Slapen kon hij den geheelen nacht niet; hij was bang dat alles, wanneer hij 's morgens vroeg ontwaakte, een droom geweest mocht zijn. Maar rusten moest hij toch, daar hij gedurende den dag zoo ver geloopen had. Hij zette zich daarom neder en zag den morgen reikhalzend te gemoet.

Toen nu de sterren verbleekten en het morgenrood begon aan te breken, stond ons knaapje van zijne rustplaats op en richtte zijne schreden bergafwaarts naar eene stad, die hij in het verschiet op de vlakte