Naar inhoud springen

Pagina:Staatkundig Dagblad van het Departement der Zuiderzee 1811 no 012.pdf/7

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

( 7 )

 

Charlemagne paraît; il était au-dessus de son siécle et par ses talens militaires, et par ses vues politiques, et par son zèle pour l’instruction. Il fit tout ce qui dépendait de lui pour se tirer de l’ignorance lui et ses sujets, et n’en put venir a bout. Les méthodes étaient vicieuses, et les guides, que l’on suivait ne pouvaient qu’égarer. C’étoient Cassiodore, Capella, Macrobe, qui a critiqué Virgile, et saint Augustin qui avait un beau génie, mais peu de goût et trop de subtilité. La philosophie commençait à se confondre avec la théologie. Cependant nous ne voyons pas encore dans les écoles la scholastique et l’art de disputer. Les troubles dont l’Europe fut agitée sous les faibles successeurs de Charlemagne, apportèrent de grands obstacles aux études; et les établissemens de ce grand homme tombèrent dans la langueur. Le latin se défigura; on ne fut plus en état de rien produire; on se contenta de compiler les peres, de faire des recueils de leurs pensées et de leurs sentimens. Ainsi firent Bede et Théodulfe; cette méthode paisible, assez bonne en elle-même, annonçait cependant une espece de sommeil léthargie dans la pensée.

Ce sommeil cessa enfin; ce fut en onzième siécle, époque fameuse des violentes querelles du sacerdoce et de l’Empire, au moment où l’austere et inflexible Grégoire VII détrônait les rois et bouleversait les stats, que l’esprit humain reprenant son activité, se livra à la scholastique qui entra définitivement dans la philosophie et la théologie. Cette méthode nous venait des Arabes. Avicennes et Averroës; commantateurs obscurs des traductions déjà infidelles d’Aristote, furent les guides auxquels on s’attacha. L’habileté dans la dispute conduisit aux richesses et aux dignités. Ce fut à qui se signalerait le plus dans cette carrière. Une distinction nouvelle était regardée comme une découverte importante, comme un moyen de victoire et de triomphe. Ce siécle devait être celui des hérésies. Bérenger, écolatre de Tours, fécond en opinions nouvelles qu’il était bientôt obligé de rétracter, fut condamné dans onze conciles. Abeilard qui excite l’intérêt par ses liaisons avec Héloïse, qui eut du génie et quelques vues saines, poussa l’art de disputer jusqu’à la plus profonde subtilité. Sans cesse entouré de plusieurs milliers d’écoliers, il jouissait de la plus brillante réputation. Mais il ne fut pas plus heureux en dialectique qu’en amour. Saint Bernard l’attaqua et le fit condamner. Je ne sais si ce saint, la gloire et l’oracle de son siécle, ne mit pas un peu trop de vivacité dans ces poursuites contre Abeilard; je ne sais s’il fut raison de l’accuser d’hérésie, mais à coup sûrs, il pouvait lui reprocher d’obseuroir la raison er le
Charlemagne verscheen; hij was, zoo door zijne militaire kundigheden, als door zijne staatkundige uitzigten en ijver voor het goed onderwijs, boven zijne eeuw verheven. Hij deed al wat hij kon, om zicht zelven en zijne onderzaten uit de onwetendheid te redden, en kon daarin niet slagen. De leerwijzen waren gebrekkig, en de gidsen, welker leidspoor men volgde, konden slechts tot dwaling brengen. Deze waren Cassiodorus, Capella, Macrobius, die critische aanmerkingen op Virgilius heeft gemaakt, en Sint-Augustinus, welke zeer veel genie, doch weinig smaak en al te veel spitsvinnigheid bezat. De wijsbegeerte begon zich met de godgeleerdheid te vermengen. Middelerwijl zien wij de schoolgeleerdheid en de kunst van redetwisten nog niet in de scholen opdagen. De onlusten, waardoor Europa, onder de zwakke opvolgers van Charlemagne, geschokt werd, bragten der studien groote hindernissen toe, en de verrigtingen van dien grooten man begonnen te verkwijnen. Het latijn verloor deszelfs gedaante; men was niet meer in staat, iets voort te brengen, en vergenoegde zich met uittreksels uit de schriften der kerkvaders en met verzamelingen van hunne gedachten en van hunne gevoelens te vervaardigen. Aldus deden Beda en Theodulphus; deze vreedzame leerwijze, die echter in haar zelve deugdelijk genoeg was, verkondigde middelerwijl eene soort van doodslaap, in het denkvermogen.
Deze doodslaap nam eindelijk een einde. Het was in de elfde eeuw, dat door de twisten tusschen het priesterschap in het keizerrijk beroemde tijdstip, in het oogenblik, dat de strenge en onbuigzame Gregorius VII Koningen onttroonde en staten omverre wierp, toen de menschelijke geest, deszelfs werkzaamheid hervattende, zich aan de schoolgeleerdheid overgaf, welke, van toen af aan, op eene beslissende wijze hare plaats bij de wijsbegeerte in de godgeleerdheid nam. Deze leerwijze kwam ons van de Arabieren aan. Avicennes en Averroïs, duistere uitleggers van reeds ontrouwe overzettingen van Aristoteles, waren de eerste gidsen, waar aan men zich hechtte. Behendigheid in het redetwisten was de weg tot rijkdom en tot eerambten. Men wedijverde, wie het meest in die loopbaan zou uitmunten. Eene nieuwe onderscheiding werd als eene belangrijke ontdekking beschouwd, werd als een middel van overwinning en triumf aangezien. Deze eeuw, moest die der ketterijen zijn. Bérenger, een schoolgeleerde van Tours, vruchtbaar in nieuwe denkbeelden, die hij welhaast verpligt was weder in te trekken, werd in elf conciliums veroordeeld. Abeilard, die door zijne verbintenis met Heloïse, het belangwekt, en die genie mitsgaders eenige gezonden denkbeelden bezat, bragt de kunst van redetwisten tot de allerdiepzinnigste verfijning. Zonder ophouden door duizenden van leerlingen omringd, genoot hij den schitterendsten naam. Maar hij was niet gelukkiger in de dialectike dan in de liefde. Sint-Bernard tastte hem aan, en deed hem veroordeelen. Ik weet niet, of die heilige, de roem en de godspraak zijner eeuw, niet een weinig te veel drift in zijne vervolgigingen tegen Ableilard deed blijken; ik weet niet, of hij hem wel met regt van ketterij beschuldigen kon, doch zeker is het, dat hij