Naar inhoud springen

Pagina:Staatkundig Dagblad van het Departement der Zuiderzee 1811 no 012.pdf/8

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

( 8 )

foi par des abstractions minutieuses, et de se consumer trop souvent en vains efforts pour ne saisir que des ombres et des fantômes. Saint Bernard montra certainement du goût et de la justesse d’esprit en condamnant tant de vaines subtilités, et en traitant la religion selon la méthode des pères.

L’art de raisonner n’est que l’art de comparer l’inconnu avec le connu, pour décrouvrir par la ce que l’on ne connait pas. Aristote sut réduire à certaines classes toutes ces manières de comparer les idées. Ces classes sont les figures du syllogisme, à l’aide desquelles on peut voir tout-à-coup si une conséquence est fausse ou juste. Le même philosophe chassa également les attributs et les propriétés des êtres en général, et pour connaître l’essence et les rapports d’un être en particulier, il ne fallait qu’examiner à quelle classe il appartenait. Telles sont les cathégories. On crut donc, à l’aide de ces cathégories et des figures de syllogisme, pouvoir juger et raisonner de tout: mais avec toutes ces formules, aussi embarrassantes qu’ingénieuses, on pouvait fort bien ne raisonner que sur des mots, et sur des êtres qui n’ont d’existence que dans l’imagination. C’sest ce qui avait lieu effectivement. Roselin, maître d’Abeilard, s’en aperçut, et montra que les idées sur lesquelles on raisonnait, n’étaient que de simples vues de l’esprit et n’avaient aucune réalité dans la nature. Cette opinion pouvait mener à des résultats utiles, mais déjà soutenu par Zénon, elle fut mal défendue. Elle trouva des adversaires violens, qui prétendirent que la logique, telle qu’elle était, avait pour objet les choses et les mots. De là se formèrent les sectes des nominaux et des réalistes, dont les disputes très-vives, et souvent sanglantes durèrent plusieurs siècles. L’opinion des nominaux finit par être par-tout proscrite, jusqu’à ce que Bacon s’en emparant 500 ans après, en tira cette conséquence utile et féconde , que les abstractions nous égarent quand on en veut faire le principe de nos connaissances, et que l’on ne s’instruit véritablement que par les faits et l’observation.

On était encore loin d’en venir à cette idée qui nous paraît simple aujourd’hui. On brûla, il est vrai, la physique, la métaphysique, d’Aristote en 1209, mais sa dialectique fut toujours suivie; elle prit un nouvel ascendant et trouva de solides appuis dans Albert-le-Grand qui vint alors à Paris, dans Scot et dans saint Thomas d’Aquin qui, ayant été canonisé depuis, rendit respectable une méthode souvent combattre. {{rechts|(La suite ci-après.)

hem met reden kon beschuldigen, dat hij de rede en het geloof door kleingeestige diepzinnigheden verduisterde, en dat hij zich zelven in ijdele pogingen, om niet dan schaduwbeelden en ijdele harssenschimmen aan te grijpen, verteerde. Sint-Bernard betoonde zekerlijk smaak en juistheid van geest door zoo vele ijdele spitsvinnigheden te veroordeelen, en door den godsdienst, volgens de leerwijze der kerkvaders, te behandelen.
De kunst van redeneren is niets anders dan de kunst, om het onbekende met het bekende te veigelijken, ten einde daar door te ontdekken hetgeen men niet weet. Aristoteles wist alle deze wijzen, om de denkbeelden te vergelijken, tot zekere klassen te brengen. Deze klassen zijn de figuren van de sluitrede, door middel van welke men eensklaps kan zien, of eene gevolgtrekking valsch of juist is. Dezelfde wijsgeer rangschikte insgelijks de attributen en de eigenschappen der wezens in het algemeen, en om de wezenlijkheid en de betrekkingen van elk mensch in het bijzonder te kennen, behoefde men slechts na te gaan, tot welke klasse hij behoorde. Dusdanig zijn de kathegoriën. Men dacht dus, met behulp dezer kathegoriën en der figuren van de sluitrede, over alles te kunnen oordeelen en redeneren; doch met alle deze voorschriften, zoo lastig als vindingrijk, kan men welligt slechts over woorden redeneren en over wezens, die alleen een denkbeeldig aanzijn hebben. Dit had inderdaad plaats. Roscelin, leermeester van Abeilard, bemerkte dit, en betoogde, dat de denkbeelden, waarover men handelde, niets dan enkele spelingen van den geest waren, en niet de minste wezenlijkheid in de natuur hadden. Deze stelling kon tot nuttige einden leiden, maar, deze stelling reeds voor Zeno voorgestaan, werd slecht verdedigd. Dezelve vond geweldige bestrijders, die voorwendden, dat de logica, zoodanig als dezelve was, zaken en woorden ten doel had. Van daar vormden zich de secten van noministen en realisten, waarvan de zeer hevige en dikwijls bloedige twisten, vele eeuwen duurden. De stelling der noministen eindigde door geheel verbannen te worden, tot dat Baco, zich 500 jaren daarna dezelve aantrekkende, daaruit deze nuttige en vruchtdragende gevolgtrekking opmaakte, dat de afgetrokkenheden ons verdoolden, wanneer wij daarvan den grondslag onzer kundigheden willen maken, en dat men wezenlijk geene onderrigting bekomt, dan door daadzaken en opmerking.
Men was nog verre van tot dit denkbeeld te geraken, dat ons thans eenvoudig voorkomt. Men verbrandde, wel is waar, in 1209, de natuurkunde en de bovennatuurkunde van Aristoteles; doch zijne dialectica werd altijd gevolgd; dezelve verkreeg een’ nieuwen invloed en vond krachtige voorstanders in Albert-de-Groote, die ter dier tijd te Parys kwam, in Scot en in sint Thomas-d’Aquino, die, daarna gekanoniseerd zijnde, eene dikwijls bestreden leerstelling eerbiedwaardig maakte. (Het vervolg hierna.)

THÉATRE FRANÇAIS SUR L’ERWTEMARKT.

Aujourd’hui, le 12 décembre 1811.

LES MUETS, vaudeville en un acte; suivi DES RIVAUX D’EUX MÊMES, comédie en un acte. La spectacle sera terminé par UNE FOLIE, opéra en 2 actes, misique de Méthul.

HOLLANDSCHE SCHOUWBURG.

Zaturdag, den 14den december 1811.

TANCREDO, treurspel, naar het fransch van Voltaire; in vele jaren niet vertoond; en na hetzelve, ARLEQUIN SCHOENMAKER, of DE TRIUMF DER TOOVERKUNST, groot ballet-pantomime.