( 6 )
ganisée. La ville de Konsberg sera le siége de cet établissement qui flatte singulièrement les Norvégiens. Il y aura dix-neuf professeurs et deux lecteurs. S. M. se charge des premiers frais. Elle fait présent à l’université, de la grande bibliothèque qui vient de M. Colbiorusen, de tous les doubles de la bibliothèque royale de Copenhague, et d’un très-beau cabinet d’histoire naturelle. Tous les impôts levés en Norvège, en matière d’instruction, sont concédés à l’université, et l’on a ouvert une grande souscription dans le royaume dont les fonds seront uniquement appliqués à cet établissement. On a déjà souscrit pour des sommes considérables. On dit qu’elles s’élèvent à cinq-cents-mille écus. La société de Copenhague, qui s’est donné beaucoup de peine pour l’érection de cette université, pour la prospérité du Norvège, doit se réunir le 11 décembre et célébrer une fête.
VARIÉTES.
Coup-d’œil rapide sur diverses révolutions da la philosophie.
(Extrait du Mercure de France.)
(Deuxième suite; Voyez le no. 10 et 12.)
Jean Scot et saint Thomas donnèrent naissance aux scotistes et aux thomistes. Ces deux partis, divisés par quelques distinctions et quelques subtilités, se réunissaient contre les nominaux qui même furent assez vivement persécutés en Allemagne par les papes. En vain les nominaux recommendaient l’étude de l’écriture sainte, de la tradition, de l’histoire ecclésiastique et civile. Il était plus aisé de n’avoir à étudier qu’un seul ouvrage où l’on pretendait tout trouver. Aristote, qui avait été condamné dans le treizième siècle, triompha complettement dans le quinzième. La cour de Rome ordonna de l’enseigner, et l’on ne fut plus reçu aux grades de l’université sans être ert état de répondre sur sa dialectique, sa physique, sa métaphysique et sa morale. Le péripatétisme domina dans toutes les écoles. A ces mauvaises méthodes joignez une langue informe, un latin barbare, et vous pourrez juger de l’état où se trouvaient les sciences. La réthorique n’était que l’art de parler par des figures gigantesques, la poésie rampait sans harmonie; la logique consistait à faire des syllogismes bons ou mauvais; la métaphysique ne savait que réaliser des abstractions; en physique, on croyait pouvoir tout expliquer par le moyen des qualités occultes; la théologie n’était qu’un amas de doutes et d’opinions probables. On expliquait l’écriture sainte par des allégories; la morale ne roulait que sur des questions frivoles et ridicules, dont les disputes de Jean XXII avec les Franciscains sur la
opgerigt, zal eindelijk georganiseerd worden. De stad Konsberg zal de residentie van dit etablis[s]ement, die den Noorwegers bijzonder aangenaam is, zijn. Er zullen negentien professors en twee lectors wezen. De eerste kosten neemt Z. M. op zich. Hij geeft aan de universiteit de groote bibliotheek, afkomstig van den heer Colbiorusen, en al het dubbeld, hetwelk in de koninklijke bibliotheek van Koppenhagen gevonden wordt, en een zeer schoon kabinet van natuurlijke historie, ten geschenke. Alle de belastingen ten opzigte het onderwijs, in Noorwegen geheven wordende, zijn aan de universiteit afgestaan, en men heeft in het koningrijk eene groote inschrijving geopend, waarvan de opbrengst ten dienste van dit etablissement gebruikt zal worden. Reeds heeft men voor aanmerkelijke sommen ingeschreven. Men zegt, dat dezelve vijf-maal-honderd-duizend kroonen beloopen. De maatschappij van Koppenhagen, die zich veel moeite gegeven heeft voor de oprigting dezer universiteit, ten voordeele van den voorspoed van Noorwegen, moet den 11den december bijeen komen, ten einde een feest te vieren.
MENGELINGEN.
Vlugge blik over verscheidene omwentelingen, in de wijsbegeerte voorgevallen.
(Extract uit den Mercure de France.)
(Tweede vervolg; zie no. 10 en 12.)
Jan Scot en sint Thomas gaven geboorte aan de Scottisten en aan de Thomisten. Deze twee partijen, door eenige onderscheidingen en eenige spitsvondigheden verdeeld, vereenigden zich tegen de noministen, die zelfs hevig genoeg in Duitschland door de pausen vervolgd werden. Vergeefs beveelden de noministen de beoefening van de heilige schrift, van de overlevering, van de kerkelijke en burgerlijke geschiedenis aan. Het was gemakkelijker, slechts een eenig werk te hebben te bestuderen, wa[ari]n men alles waande te vinden. Aristoleles, die in de dertiende eeuw veroordeeld was, zegevierde volkomen in de vijftiende. Het hof van Rome gelastte, zijn werken te onderwijzen, en men werd niet meer tot de graden van de universiteit toegelaten, zonder in staat te zijn, tot het antwoorden op zijne dialectica, zijne natuur-, zijne boven-natuur en zijne zedekunde. Het peripatismus heerschte in alle scholen. Voeg bij deze slechte leerwijzen eene misvormde taal en een barbaarsch latijn, en gij kunt oordeelen over den toestand, waarin zich de wetenschappen bevonden. De rhetorica was slechts de kunst, om met reusachtige figuren te spreken; de dichtkunst kroop voort zonder harmonie; de logica bestond in goede of kwade sluitredenen te maken; de bovennatuurkunde kon niet dan afgetrokkenheden verwezenlijken; in de natuurkunde dacht men alles te kunnen verklaren, door middel van de verborgen eigenschappen; de godgeleerdheid was slechts een zamenraapsel van twijfelingen en van waarschijnlijke stellingen. Men verklaarde de heilige schrift door zinnebeelden; de zedekunde liep alleen over beuzelachtige en belagchelijke vragen, van welke de twisten van Johannes XXII met