Naar inhoud springen

Pagina:Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof.pdf/183

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen


Artikel 20
Ne bis in idem

1. Behoudens hetgeen in dit Statuut is bepaald, staat niemand voor het Hof terecht ter zake van gedragingen die de grondslag vormden van misdrijven waarvoor de betrokkene door het Hof is veroordeeld of vrijgesproken.

2. Niemand staat terecht voor een ander gerecht ter zake van een misdrijf bedoeld in artikel 5 waarvoor de betrokkene reeds door het Hof is veroordeeld of vrijgesproken.

3. Niemand die voor een ander gerecht heeft terechtgestaan ter zake van gedragingen die ook ingevolge de artikelen 6, 7 of 8 verboden zijn, staat voor het Hof terecht voor dezelfde gedragingen, tenzij de procedure bij het andere gerecht:

a, diende ter afscherming van de betrokkene tegen strafrechtelijke aansprakelijkheid ter zake van misdrijven waarover het Hof rechtsmacht bezit; of

b, anderszins niet op onafhankelijke of onpartijdige wijze verliep overeenkomstig de in het internationale recht erkende normen voor een behoorlijke rechtsgang en plaatsvond op een wijze die, onder de omstandigheden, niet verenigbaar was met het voornemen om de betrokkene terecht te doen staan.


Artikel 21
Toepasselijk recht

1. Het Hof past toe:

a, in de eerste plaats, dit Statuut, de Elementen van misdrijven en zijn Reglement van proces- en bewijsvoering;

b, in de tweede plaats, indien van toepassing, toepasselijke verdragen en de beginselen en regels van internationaal recht, waaronder de gevestigde beginselen van het internationaal recht inzake gewapende conflicten;

c, bij gebreke daarvan, algemene rechtsbeginselen die door het Hof worden ontleend aan de nationale wetten van rechtsstelsels van de wereld, waaronder, indien van toepassing, nationale wetten van Staten die normaliter rechtsmacht zouden uitoefenen ter zake van het misdrijf, mits die beginselen niet onverenigbaar zijn met dit Statuut en met internationaal recht en internationaal erkende normen en maatstaven.

2. Het Hof is bevoegd beginselen en rechtsregels toe te passen overeenkomstig de interpretatie die het in zijn voorgaande beslissingen daaraan gaf.

3. De toepassing en interpretatie van het recht ingevolge dit artikel dient verenigbaar te zijn met internationaal erkende mensenrechten,