Naar inhoud springen

Pagina:Stedman, Reize naar Surinamen en Guiana Vol 1 (1799).pdf/373

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

hangen, bragt ik deezen nacht by het vuur door. Ik had aldaar minder te lyden, dan myne ongelukkige medgezellen, die in hunne hangmatten lagen, en zonder ophouden hoestten. Maar om tot den gemelden vogel weder te keeren, alles wat ik 'er van zeggen kan, is, dat hy weinig verschilde van de gewoone kalkoensche haanen, die hier meer dan twintig ponden weegen.

De grootste vogel van Guiana word in Surinamen door den een Toijew, en door den ander Emou genaamt. Hy behoord tot een zoort van vogelen tusschen den Struisvogel en de Casoar, ten minsten zoo men my gezegd heeft, want ik heb nooit een enkele in dit Land gezien. Men zegt, dat deeze vogel zes voeten hoog is, gerekend van de pooten tot den kop. Hy heeft een kleinen kop, en platte bek; de hals en pooten zyn langwerpig; het lyf is rond, zonder staart en van een licht graauwe kleur. De bouten zyn zeer dik en sterk; en elke poot heeft drie nagels, verschillende daar in van den Struisvogel, die 'er slechts twee heeft. Men geeft voor, dat deeze vogel niet kan vliegen, maar zeer schielyk loopt; en dat hy, even als de eerstgemelde, met zyne vlerken, zyn tred verhaast; men vind hem voornamelyk by het opvaaren van de Maroni en de Saraméca. — Dewyl ik van vogels spreek, moet