ven in de bosschen, by de Rivieren, langs de Zeekusten, en bewoonen kleine gehuchten. Hunne huizen of hutten, welke zy carbets noemen, zyn gebouwd, zoo als ik van die der Negers reeds heb opgegeven; maar in plaats van met bladen van Latanus-boomen bedekt te zyn, zyn zy bedekt met biezen, welke men hier tas noemt, en die by bossen op moerassige plaatsen groeien. Meer algemeen gebruiken zy hier toe troulies, een zoort van blaaden, aan den wortel der plant wassende, niet minder dan twintig of vier-en-twintig voeten lang, en twee of drie voeten breed zynde, welke geheele jaaren eene kragtdadige beschutting tegen het guur weder verschaffen.
De huisraad en gereedschappen der Indianen zyn zeer eenvoudig, maar tot hun gebruik voldoende: het zyn eenige potten van zwarte aarde, die zy zelve maaken; eenige calebassen of kauwoerden; eenige korven, welke zy pagala noemen; een steen om te malen, matta genaamd, en een anderen om hun cassaven-brood te bakken; een zoort van waijer, om het vuur aan te blazen; een houte stoel, mouly genaamd; een zeeft, mounary genaamd; een pers, matoppy genaamd, dienende om het vocht van de cassave uit te perssen; en eindelyk een catoene hangmat, waar in zy slapen.