len; toen lag hy de zyne op een Palmiet boom, en haalde vervolgens de myne zonder moeite. Op dit oogenblik hoorden wy een donderende stem uit het midden der doornstruiken roepen: — "qui somma datty? en door een ander, Souto, Souto da BONNY kiry da dago? Wie is daar? geef vuur! 't is BONNY! slaat den schelm dood!" Ons oprichtende, zagen wy vyf of zes snaphaanen, op eenen korten afstand op ons aangelegd. Ik duikte dadelyk onder water; maar PHILANDER geantwoord hebbende, dat wy tot den post van Maagdenberg behoorden, veroorloofde men ons, om één voor één naar de Plantagie Jacob te gaan. Zy, die ons gezien hadden, waren Neger-slaven, die in 't water hoorende roeren, naar den kant, van waar dit gerucht kwam, keeken, en drie gewapende mannen in het moeras ontdekten. Zy geloofden, dat het de muitelingen waren, die voorwaarts trokken, onder geleide van BONNY zelven, voor wien zy my aanzagen, om dat ik byna naakt, en myn lichaam door de zon verbrand was; myne hairen, die kort en gekruld waren, deeden my naar eenen Mulat gelyken. Na een weinig rhum gedronken, en onze kleederen voor een goed vuur gedroogd te hebben, keerde men naar Maagdenberg te rug, alwaar men my geluk wenschte met aan dit gevaar ontsnapt te zyn.
Pagina:Stedman, Reize naar Surinamen en Guiana Vol 2 (1799).pdf/241
Uiterlijk