Naar inhoud springen

Pagina:Stedman, Reize naar Surinamen en Guiana Vol 2 (1799).pdf/243

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

omleggende streeken van zyne nieuwe legerplaats, en ik had de eer daar toe te behooren. Geduurende deezen kleinen tocht viel 'er niets merkwaardigs voor, dan het ontmoeten van eene groote meenigte Coïatas (quoata in Guiana, quatto in Surinamen, chameck in Peru genaamd) zynde een zoort van aapen, die zeer veel opmerking verdienen, uit hoofde van hunne overëenkomst met den mensch, eene hoedanigheid, welke ik niet met stilzwygen mag voorby gaan. Op zekeren avond met mynen kleinen QUACO buiten de legerplaats wandelende, naderden deeze aapen van zeer naby, om ons te bekyken, en zy wierpen kleine stukjens hout, en hunne vuiligheid naar ons toe. Wy bleven staan, en ik konde hen gemakkelyk waarnemen. De Coïata is zeer groot, en zyne staart ongemeen lang. Zyne armen en beenen zyn met lange zwarte hairen bedekt, het welk een zeer onaangenaam gezicht maakt. De huid van zyn aangezicht is rood, en zonder hair, de oogen zyn ingedoken, en ten dien opzigte gelykt hy niet kwalyk naar een oud Indiaansch wyf. Zyne ooren zyn kort; zyne handen of voorpooten hebben vier vingeren en geene duimen; maar de agterpooten hebben vyf toonen, allen met zwarte nagels. Het uiteinde van zyne staart is krulswyze gedraait; zy is zonder hair en eeltachtig, vermits