Naar inhoud springen

Pagina:Stedman, Reize naar Surinamen en Guiana Vol 2 (1799).pdf/256

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Die wy zagen, waren bruin, den buik wit, en de staart een weinig dik; zy waaren zoo groot niet, als die in Europa. Men vindt 'er in Guiana, die wit zyn, met roode oogen; 'er zyn 'er ook die vliegen. Men weet, dat de laatstgemelde geene vlerken hebben, maar dat een vlies, een gedeelte van hunne huid uitmakende, van wederzyden tusschen de vooren agter-pooten geplaatst, hun daar voor dient. Deeze huid, wanneer zy springen, spreidt zig uit als de vlerk van een vledermuis; door dit middel vliegen deeze dieren door de lucht tot eenen zeer verren afstand.

Des anderen daags, den 4den April, vervolgden wy onzen tocht zuidoost-waarts, tot twee uuren toe; maar vervolgens namen wy onzen weg ten zuid-zuidwesten.

Deezen dag trokken wy voorby eenige hoopen fraay werkhout, het welk op den grond lag te verrotten zedert het jaar 1757, wanneer de Plantagiën door de Neger-slaven, die toen in opstand geraakt waren, waren vernield geworden. Onder dit hout ontdekte ik, dat van den rood- of purper-hout boom, van den yzer-hout boom, en van de bourracourra.

De purper-hout boom groeit zomtyds tot de hoogte van veertig voeten, en heeft een stam van eene geëvenredigde dikte. Zyn schors is bruin en