ken langs zeer hooge bergen, die, zoo als ten minsten veelen vooronderstellen, in hunnen boezem schatten bevatten:
"Rotsen met kostbaare gesteenten verrykt; bergen, waar op de glinsterende aderen van schitterende mynstoffen blinken; die ketenen vormt, boven den middaglyn in hoogte verheven; waar uit talryke beken ontspringen, om over het gouden zand heen te rollen; ontzag verwekkende bosschen, wier bladeren allerleije levendige kleuren vertoonen, die uwe golfswyze toppen op een onmeetlyk toneel in evenwicht houdt. (THOMSON)"
De twee hoogste bergen in het zuiden van America, zyn het Andische gebergte, door de bewooners des Lands Chimborazo genoemd, het welk zig twintig duizend vierhonderd zestig geometrische voeten boven de oppervlakte der Zuid-zee verheft, en, schoon onder den middellyn gelegen, aanhoudend met sneeuw bedekt is, tot op den afstand van vier duizend voeten beneden deszelfs kruin. De andere berg is die, op het vallen van welken de Stad Quito gebouwd is; deszelfs hoogte is negen duizend driehonderd zeventig voeten, en men rekent denzelven voor het hoogste van alle bewoonde Landen in Zuid-America, zoo niet in de geheele weereld.