Den 7den, trokken wy al verder noordwaarts, over gebergten, van welker kruin wy de verrukkelykste gezichten zagen. Wy ontdekten aldaar een onmeetlyk en woest Land, geheel en al bedekt door een treffelyk bosch, welks geboomte door eene verscheidenheid van schaduwen, en het schitterendst groen veraangenaamde. Ik zag hier een houtsnip, die my dezelfde kleur, als de Europeesche, scheen te hebben, maar langzaamer vliegt; men verhaalde my egter, dat zy met eene ongelooflyke ligtheid kan voortloopen. De Arnotta-boomen, welken ik vond, schoon in een klein getal, trokken vooral myne aandacht naar zig, en ik heb 'er een tak met de grootste naauwkeurigheid van afgeteekend. De Arnotta, dien men ook den Roucou-boom noemt, en door de Indianen genoemd word Cossowy, is veel eer een heestergewas, dan een boom, want hy groeit slechts tot de hoogte van twaalf voeten. Deszelfs lange, smalle, puntige, en beurtelings geschaarde bladeren, zyn aan de eene zyde hooger groen, dan aan de andere, en door vezelen van eene roodachtig bruine kleur verdeeld; de steel heeft ook de zelfde kleur. De bast van de vrucht, naar een klein hoender-ei gelykende, is vol puntige stekels, als de schel van een kastanjen: in 't begin heeft zy eene fraaije roozen-kleur; en naar maate