Naar inhoud springen

Pagina:Stedman, Reize naar Surinamen en Guiana Vol 2 (1799).pdf/285

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

puilende oogen. Het lichaam van dit insect had eene bruinachtig groene kleur, en over 't geheel had hy het voorkomen van een gedrocht in zyn zoort. Men vindt hem op moerassige plaatsen, alwaar zyne lange pooten hem ongetwyffeld dienen om te gaan, en niet om te zwemmen, als daar toe ongeschikt zynde, want zy eindigen met twee kleine nagels, als die der kevers. Het andere insect is door Mejuffrouw DE MERIAN afgeteekend, die het de waaker genoemd heeft; maar de Hollanders geven hem een naam, die betrekkelyk is tot het geraas, het welk hy tegen den avond doet hooren, en vry veel gelykt naar het geluid van een cymbaal, of naar dat van het slypen van een scheermes. Dit merkwaardig insect, welks gebrom altyd met het ondergaan der zon, of des avonds ten zes uuren begint, word ook lantaarn-drager genoemd, uit hoofde van het licht, het welk hy des nachts verspreidt, een licht, veel sterker, dan dat van een vuur-mug, van welk zoort hy ook zyn moge, en met behulp van 't welk men alles doen kan. De lantaarn-drager is meer dan drie voeten lang. Hy heeft een dik en groenkleurig lichaam, met vier doorschynende vlerken, die, onaangezien deeze hoedanigheid, eene groote verscheidenheid van kleuren laten schitteren, vooral van onderen, alwaar