men twee ronde moesjes opmerkt, veel gelykheid hebbende met die van een paauwen-staart. Onder den kop van dit insect ziet men een lynregte snuit, als eene naald, waar mede men zegt, dat hy het sap uit de bloemen zuigt. Met dit werktuig vooronderstelt men ook, dat hy het zoo even gemelde onaangenaam en sterk geraas maakt. Ik voor my zoude het veel eer aan de beweging zyner doorschynende vlerken toeschryven, zoo als men dit van zommige muggen in Engeland beweert. Eene sterke snuit, met roode en geele streepen, en hebbende de gedaante van het eerste gewricht van een's menschen vinger, steekt hem uit het voorste gedeelte van den kop, en maakt een derde der lengte van het geheele dier. Deeze uitwas word gemeenlyk de lantaarn van dit insect genoemd, en doet het licht voortkomen, waar van hy zynen naam draagt. Ik zal zyne beschryving eindigen met te zeggen, dat hy zeer langzaam loopt, maar met eene verbaazende gezwindheid vliegt.
Den 26sten, kwam myn kleine QUACO van Paramaribo te rug, met zig brengende al het geen ik hem gelast had: men had de geit niet vergeten, en men zond 'er my een met haar jong, waar voor ik twintig guldens, of by de twee ponden sterling betaalde.