trouw, welke hy buiten twyffel aan zyne landgenooten gezworen had. De lezer herinnert zig waarschynlyk, het geen ik in het derde hooftstuk gezegd heb, dat de Africaansche Negers gelooven, dat hy, die zynen eed schendt, elendig moet omkomen, en eene eeuwige straffe in de andere weereld ondergaan.
De post van de Hoop aan de Commewyne was, wegens gebrek aan zindelykheid, tans zeer ongezond geworden: het krygsvolk, het welk aldaar na myn vertrek de wacht gehouden had, was uittermaten onachtzaam, om deezen post in goeden staat te houden. De dood had reeds verscheiden soldaaten weggerukt, en de ziekte belette den bevelhebbenden Officier en een gedeelte van zyn volk, om dienst te doen. De Colonel FOURGEOUD zond den Capitain BRANT en eenige soldaaten derwaarts, met last, om alle de zieken, welken men op deezen post vinden zoude, niet naar de Stad Paramaribo, maar naar Maagdenberg te doen vertrekken. De Colonel, deezen Capitain met dien tocht belastende, behandelde hem met eene groote hardheid, en vergunde hem zelfs den tyd niet, om zyne goederen mede te neemen. Van een anderen kant, ontnam de Colonel SEYBOURG hem den eenigen slaaf, dien hy tot zynen dienst had, en hield dien voor zig zelven.