AGTTIENDE HOOFTSTUK.
Een Tyger, op de legerplaats gevangen. — De Jaguar. — De Couguar. — De Tyger-kat. — De Jaquarette. — Gevecht tusschen eenige afgezondene manschappen der Sociëteit en de muitelingen. — Levens-manier van eenen Surinaamschen Planter. — Verscheiden zoorten van visschen. — Besmettelyke ziekten. — Zelfsmoord.
Ik heb zoo straks gezegd, dat verscheiden Officiers gevogelte aankweekten; maar alle nachten ontnam een onbekende strooper 'er hun verscheiden van. De Capitain BOLTS, den coati-mondi of crabbo-dago van deezen diefstal verdacht houdende, zette een val, door middel van eene ledige kist, welke hy in den grond deed plaatsen, en waar van het dekzel wierd opgehouden door een hout, waar aan men een lang touw had vast gemaakt. Vervolgens sloot hy al zyn gevogelte naauwkeurig op, uitgenomen twee hoenderen, welke hy onder deeze val plaatste, doende dezelve door twee Negers op eenigen afstand bewaken. Deezen hadden naauwlyks een uur of twee op hunnen post doorgebracht, of zy hoorden de hoenderen schreeuwen; één van hun trok toen aan het