nen, waar door haare kragten verminderd, haare groei belet, en haare gestalte bedolven zouden worden. De slaven op deeze Plantagie, zoo mans als vrouwen, waaren de schoonsten, welken ik immer gezien heb. Hunne schoone gedaante, hunne levendigheid, hunne sterkte en yver konden met die der Europeanen gelyk gesteld worden. De Neger PHILANDER, dien ik reeds als een voorbeeld van schoonheid heb aangehaald, behoorde tot dezelven.
Des anderen daags, vertrokken wy naar Maagdenberg, een uur voor het ondergaan der zon, en in een klein vaartuig, alleenlyk met een zonnescherm overdekt. Wy deeden zulks tegen den raad van den heer en mevrouw DE LANGE, en wy hadden reden om 'er ons over te beklagen; want naauwlyks hadden wy twee mylen afgelegd, of de nacht overviel ons, gepaard met zulk een geweldigen regen, dat wy byna in het water verzonken, zynde de gang van het vaartuig slechts twee duimen boven water. Het gelukte ons echter, door middel van onze calebassen en hoeden, om het zoo ledig te scheppen, dat het vlot bleef. Te gelyker tyd zat 'er een Neger voor op, houdende een haak lynrecht voor uit, om te beletten dat ons vaartuig niet omsloeg, wanneer het door onbedachtzaamheid, in het midden der duisternis,