waar in wy ons bevonden, tegen de wortels der Palmietboomen stootte, die langs de oevers van het bovenste gedeelte van de Commewyne in grooten getaale groeijen.
Wy kwamen op deeze wyze, des avonds ten tien uuren, op de Plantagie Jacob aan. Het vaartuig was met het water gelyk, en ook niets meer; want de Capitain BOLTS, en ik, waren zoo dra niet op het land gesprongen, of het vaartuig zonk met alle de Negers, die 'er op waren: dadelyk echter bereikten zy al zwemmende den oever. Maar, helaas! een koffer, waar in myn dagregister en myne teekeningen lagen, die my meer dan twee jaaren arbeids en moeite gekost hadden, bevond zig toen onder in het water. Ik was over dit verlies met smarte aangedaan. Een knaphandige Neger echter, verscheiden malen, al duikelende, in het vaartuig gegaan zynde, bragt my mynen kleinen schat te rug, en ik achtte my zeer gelukkig denzelven weder in myne handen te zien, schoon door en door nat geworden zynde. Dus nam onze schipbreuk een einde. Na iets warms gebruikt te hebben, hingen wy onze hangmatten op, en sliepen in dezelve rondom een goed vuur, waar voor ik myne papieren liet droogen.
Des anderen daags morgens vervolgden wy onze reize, maar toen wy half weg gekomen waren, wier-