met vermogen echter, om, indien ik binnen kort hersteld was, my by den Colonel te vervoegen, en, zoo goed ik konde, my naar Barbacoeba te begeven. Myn been was op dit oogenblik zoo ontstoken, en zoo zwart, uit hoofde van het dood vleesch, dat de Heelmeester van den Colonel KNOLLAERT, beducht was tot de afzetting te zullen moeten besluiten, en dat ik zonder zeer zwaare pyn niet recht op staan konde. — Ik zal 'er het lidteeken van dragen, zoo lang ik leeve.
Geduurende dit myn agterblyven, ontfing ik dagelyks van PHILANDER en andere Negers, welken ik altyd met zachtheid behandeld had, geschenken, waar onder een kookzel van kool van Berg-Palmboom gevonden werd. Onder alle zoorten van Palmboomen-kool is deeze de meest geachte. De boom, die dezelve voortbrengt, verheft zig zomtyds tot de hoogte van vyftig voeten. Zyn harde houtachtige stam, in zeer dicht op elkander volgende gelederen verdeeld, en van binnen vol merg, even als de vlierboom, heeft eene helder bruine kleur: deeze stam, die in evenredigheid van zyne hoogte dik is, loopt zeer recht, en eindigt puntsgewyze, even als de mast van een schip. In de hoogte word hy van eene donker groene kleur, veröorzaakt door de bekleedzelen, waar uit zig de takken vormen,