Deze pagina is proefgelezen
de vrucht heeft een uitmuntenden smaak: het is een mengzel van zuur en geurigheid, het welk alle andere in deeze Volkplanting overtreft. Men vindt in Surinamen ook tweederlei zoort van amandelen, gewoonlyk door de Negers pistaches en pinda genoemd. De eerste gelyken naar kleine kastanjes, en groeien als trossen aan den boom; de tweede worden voortgebracht door een heestergewas, en vormen zig onder den grond[1]. Beide zoorten van deeze amandelen zyn olyachtig en zoet; de laatstgemelde bevat 'er twee in eene schel; alle zyn zy aangenaam om raauw te eeten, maar nog beter, wanneer zy onder heeten asch gebraden worden.
- ↑ 'Er wordt hier waarschynlyk gedoeld op de amandel, welke men aard-pistache of aard-appel noemt, waar van de bloemen, uit welken zy voortkomen, naar den grond buigen, tot dat zy denzelven raaken. Wanneer de bloem heeft uitgebloeit, gaat de noot in den grond, werkt zig aldaar hoe langer hoe dieper in, en wordt een bultachtige, asch-kleurige, ronde en bogtige bol, van de grootte van een vinger, doorweven met draden, uit den wortel voortkomende. Deeze bol, die onder den grond ryp wordt, bevat twee of drie ronde roodachtige pitten, van de grootte van onze hazelnoten, en van denzelfden smaak.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.