kwam, dacht ik, dat het voegzaam was, om zelf met hem eene schikking te maken, en hem voor te stellen van my een handschrift aan te nemen, tot dat ik de somme dadelyk betaald zoude hebben, waar voor men toestond JOANNA, en mynen zoon aan my te verkoopen, eene somme, die ik bereid was op myne verteeringen uit te spaaren, door, indien het mogelyk was, alleen van brood, zout en water te leven; en zelfs, in weerwil van deeze ongemeene soberheid, had ik twee of drie jaaren noodig, om dezelve by één te halen. De Voorzienigheid liet my niet in deeze verlegenheid; zy zond ter myner hulp die uitmuntende vrouw, Mevrouw GODEFROY, die zoo dra niet onderricht was van de smartelyke gesteldheid, waar in ik my bevond, of zy noodigde my by haar ten eeten, en na den maaltyd, sprak zy my in deezer voegen aan:
"Ik weet, myn lieve STEDMAN, welke uwe gevoelens zyn, en dat het voor een Officier volmaakt onmogelyk is, zoodanig ontwerp, als het uwe, met zyne inkomsten uit te voeren; maar begryp, dat men, zelfs in Surinamen, in zyne vrienden eenige deugd kan ontmoeten: uwe blakende liefde voor deeze jonge vrouw, die dezelve zoo waardig is, en voor uwen zoon, moet, ten spyt van dwaas-