aldaar; steeds, terwyl de onverschrokken Capitain STOELEMAN, met eenige Neger-Jagers de bosschen van eenen anderen kant doorkruistte: dien zelfden dag had hy vier der oproerige Negers naar Paramaribo gezonden[1].
Den 10den, volmaakt hersteld zynde, en my gereed bevindende om in de bosschen te trekken, nam ik afscheid van myne vrienden, en van myn klein huisgezin, het welk ik by den heer DELAMARE liet, die 'er my om verzogt. Ik vertrok dus wel gemoed in een overdekt vaartuig, om mynen vyfden veldtocht te beginnen, en in de hoop van den Colonel FOURGEOUD te vergezellen. Hy verëenigde alle zyne kragten, en maakte de noodige toebereidzels, om binnen eenige dagen den vyand te gemoet te trekken.
Den 14den, kwam ik te Barbacoeba, aan het bovenste gedeelte van de Cottica; de zelfde plaats, waar ik my bevond, toen ik den slang
- ↑ De Neger-Jagers hadden de gewoonte, om elken muiteling, dien zy doodden, de rechte hand af te kappen, en dan ontfingen zy vyf-en-twintig gulden. Men gaf hun vyftig gulden, wanneer zy 'er één levendig vongen, en duizend gulden voor het ontdekken van een gehucht of bezitting.
Aanteek. v. d. Schryver.