ik aan QUACO om my te volgen; maar 'er was my nog één hinderpaal in den weg, ik had myn kompas niet by my, en de regen belette het doorschynen der zonnestraalen. In deezen bangen nood, herïnnerde my myn medgezel, dat de schors der boomen aan de zuidzyde doorgaans veel gladder is. Dit was waarlyk een goede inval, en dienvolgende gingen wy naar dien kant heen; dan eens door een dik en donker bosch, dan eens door een zoort van kreupelbosch, tot dat wy, door vermoeienis en honger afgemat, gingen nederzitten, zonder een enkel woord uit te brengen, en elkander aankykende als twee slachtöffers; die ter dood verwezen waren. Ons stilzwygen bleef nog voortduuren, wanneer wy een verward gedruis hoorden, als van lieden, die hoestten, en van anderen, die met wapentuig eenige beweging maakten. Gode zy dank! het was ons krygsvolk, het welk zig nedersloeg op een veld, bevoorens door het volk van de Peréca bezet. In weerwil van myne ongelegenheid, bevond ik my in dit oogenblik in eene der gelukkigste geest-gesteldheden, die my deedt zien, dat alles in deeze weereld ten goeden en ten kwaaden keeren kan. Alle de Officiers wenschten my van goeder hart geluk, en myn Neger, zoo wel als ik, deelden met hun van hun koud ossenvleesch
Pagina:Stedman, Reize naar Surinamen en Guiana Vol 3 (1800).pdf/103
Uiterlijk