naar de Peréca, alwaar zy met de verdediging belast waren.
De Colonel ontdekte, by deezen laatstgemelden tocht een honderdtal ledige huizen, en bespeurde eenige muitelingen, maar nam 'er geen één van gevangen. Hy vondt ook een bekkeneel aan een tak van een boom hangen, en men konde met genoegzaame zekerheid gissen, dat dit het hoofd was van den ongelukkigen SCHMIDT, die omgekomen was[1].
Den 13den, kwam myn Neger QUACO te rug, volmaakt hersteld zynde: ik was 'er verblyd over, want zyne getrouwheid omtrent my had nog nooit gewankeld. Wy vernamen te gelyker tyd, dat de Capitain STOELEMAN, die aan het hoofd van eenige Jagers was, door een zwaren rook, dien hy van verre in het bosch bespeurd had, eene verblyfplaats der muitelingen had ontdekt, doch die door hem niet was aangetast; dat de Capitain FREDERIK, met een anderen hoop Jagers, de oevers der Zee beneden Paramaribo schoon hieldt; dat twee soldaten, die den 18den Au-
- ↑ Dit was des te aanmerkelyker, om dat wy met alle de Indianen in vrede waren, en dat de Negers de gewoonte niet hebben om het zelve weg te nemen.
Aanteek. van den Schryver.