gustus verdwaald geraakt waren, het geluk gehad hadden, om op eene wonderbaarlyke wyze hun gevaar te ontkomen, en dat zy den wachtpost, die aan de Rivier Maroni geplaatst was, bereikt hadden; en eindelyk, dat twaalf schoone Negerslaven van de Plantagie Gold Mina waren weggeloopen, om zig met de muitelingen te verëenigen.
Deeze tydingen bemoedigden den Colonel FOURGEOUD dermaten, dat deeze onvermoeide Overste steeds by zyn besluit bleef, om den vyand te vervolgen. Mitsdien trokken wy den 15den, in den vroegen morgen, de bosschen in, schoon ons getal toen merkelyk gesmolten was. De Colonel liet des avonds te voren een vrywilliger, één van zyne landgenooten. MATTHIEU genaamd, en broeder van den Vaandrig van dien naam, ter aarde bestellen. De dood was ons zoo gemeenzaam geworden, dat, wanneer iemand onzer een nabestaanden of vriend op de legerplaats verloor, men hem doorgaans deeze vraag deedt: "Heeft hy brandewyn, rhum of tabak nagelaten"?
Korten tyd voor ons vertrek, liepen zeven van onze Neger-slaven weg, en namen de vlucht naar hunne meesters, alwaar zy mismoedig, vermagerd, en byna uitgehongerd, aankwamen. Wy stelden ons echter in aantocht, en trokken regel-