Naar inhoud springen

Pagina:Stedman, Reize naar Surinamen en Guiana Vol 3 (1800).pdf/127

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

alwaar wy nog eene groote meenigte ryst zagen, die kortlings gebloeid had, en welke wy afmaayden en verbrandden. De Neger, van wien ik bevorens gesproken heb, wierd hier onder boom-mos en bladeren nedergelegd, als of men hem levendig wilde begraven: voor deezen ellendeling was geene hoop meer tot genezing. Wy hingen onze hangmatten op, en verstikten byna door den rook van onze vuuren.

Ik zag op dit veld eene hagedis van by de twee voeten lengte, welke de Negers doodden en opaten: zy noemden hem Sapagala, en hy had eene groenachtig bruine kleur, maar hy geleek niet naar de Iguana. Onder de puinhoopen van het afgebrande gehucht, ontdekten wy eenige Water-rupsen of Honderd-pooten van agt tot tien duimen lengte. Dit hatelyk kruipend gedierte van eene geelachtig bruine kleur, loopt in allen opzigte zeer gezwind, en het vergift, het welk zy in de door hen gemaakte pynlyke wonde laaten, schoon het niet doodelyk is, verwekt niettemin doorgaans de koorts. Zommige schryvers geven aan dit kruipend gedierte twintig paar pooten, en anderen veertig. Ik heb ze by de geenen, die wy vonden, niet getelt: alles wat ik 'er van zeggen kan, is, dat zy my toescheenen met de Europeesche honderd-pooten eene juiste overëenkomst te hebben.