Toen de verwoesting was afgeloopen, keerden wy naar den post van Jerusalem te rug, alwaar wy den 24sten, geheel afgemat, aankwamen. De Colonel zelf wierd eindelyk door eene heete koorts aangetast, die hem noodzaakte, om in zyne hangmat te blyven leggen, en deedt vreezen, dat hy den nacht niet halen zoude. Echter behieldt hy steeds het bevel aan zig, en deedt, des anderen daags morgens, aan eenen soldaat stokslagen geven, die, vermits zyne voeten zeer gescheurd waren, hem om een paar schoenen verzogt; een ander onderging dezelfde behandeling, om dat hy gehoest had, schoon hy met eene zwaare verkoudheid behebd was; een Capitain wierd in zynen dienst geschorst, en naar het Fort Zelandia in gevangenis verzonden, om dat hy bestaan had een huwelyk aan te gaan buiten toestemming van den Colonel. — Ziekten en de dood maakten, in dit oogenblik, groote verwoestingen onder het leger, alwaar alles in de grootste verwarring was.
Den 1sten November, liepen, om de maat der onheilen vol te meten, vyf-en-twintig Negerslaven weg; en den 3den, ontfingen wy bericht, dat men meer dan vyftig gewapende muitelingen gezien had, die, een musket-schoot beneden Barbacoeba, de Cottica waren overgezwommen.
Op het ontfangen van deeze tyding, wierdt de