Naar inhoud springen

Pagina:Stedman, Reize naar Surinamen en Guiana Vol 3 (1800).pdf/134

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

in dit oogenblik te kampen hadt, moet men vooral rekenen eene ontzachelyke meenigte sprinkhaanen, die alles, wat zy ontmoetten, verslonden. Het scheen waarlyk, of de vloek des hemels ons op alle manieren bezogt: allerleije zoort van ongedierte hadt zig dermaten vermeenigvuldigd, dat men, in weerwil van de grootste zorgvuldigheid, 'er zig niet geheel en al van bevryden konde. Deeze sprinkhanen waren van eene bruine kleur, en van gedaante als de anderen. Zy vlogen niet, maar sprongen by hoopen op de tafel en stoelen, terwyl wy aten. Des nachts kwelden zy ons, door over ons aangezicht te kuiëren.

Echter vonden wy op den post van Jerusalem eene groote meenigte visschen, en vooral de Newmara, de Warrappa, de Pataky en de Vieille. Allen waren uitmuntend. De Pataky was byna twee voeten lang, en hadt de gedaante van een schelvisch; de laatste geleek naar een groote baars. Men vong ook een zoort van Aal, die alhier Naay-naay-fisy genoemd wordt, zeer fyn, en omtrent een voet lang is. 'Er was ook nog een zoort van visch, genaamd Dung-fish, hebbende ten naasten by de gedaante van één kleinen haring. De Negers alleen aten de twee laatstgemelden.

Den 3den December, kwamen de afgezondene manschappen van den Major MEDLAR, na eene