Deze pagina is proefgelezen
De heer SELEFELDER, Officier van 's Compagnies krygsvolk, verzekerde my, op deezen zelfden tyd, dat hy een Zeepaard, van een geheel onderscheiden aart, in de Rivier Maroni gezien had. De Majoor ABERCOMBIE, die in den zelfden dienst was, zeide my onlangs, in de Rivier van Surinamen een Meermin te hebben aangetroffen. Lord MONBODDO houdt ook zeer stellig staande het aanwezen van Zee-mannen en Zee-vrouwen[1], en verzekert, dat men ze in 't jaar 1720,
- ↑ Veele Reizigers maken melding van Zee-menschen, waar aan zy den naam gegeven hebben van Tritons, Nereïden, Sirenen, half visch, half vrouw, of Ambizen. Allen komen daar in over één, dat het zeemonsters zyn, naar menschen gelykende, ten minsten van het hoofd tot het midden toe.
Men leest in zeker boek, genaamd Delices de la Hollande, dat in het jaar 1430, na eenen zwaaren storm, die de dyken in Westvriesland had doorgebroken, een Meermin in het slyk gevonden wierd. Men bragt dezelve naar Haarlem; men kleede haar, en leerde haar spinnen; zy gebruikte ons voedzel, en leefde eenige jaaren, zonder het spreken te hebben kunnen leeren, en had altyd een trek naar het water behouden. Haar geluid had veel overëenkomst met dat van een stervend mensch.
Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.