gezien heeft. Maar hoe achtenswaardig op andere punten het oordeel en gezag van deezen Lord moge voorkomen, is het my niet mogelyk, om met hem in te stemmen, dat 'er mannen en vrouwen met vinnen en schubben, laat staan met staarten, zyn zouden.
Ik geloof, zoo het my geöorloofd is myne gedachten op dit stuk te zeggen, dat men nu en dan in de Rivieren, onder den zonne-keerkring gelegen, zoo op de kust van Africa, als van Zuid-America, een zoort van visch ziet, die met het halve lyf boven het water uitsteekt, zeer veel gelykheid heeft met een menschelyk schepzel, maar veel kleiner is, en ten naasten by als die geen, welke men in 't jaar 1794 te London zag. Deszelfs kleur is zwartachtig groen; de kop is rond, met een zoort van mismaakt aangezicht. Eene zwaare vinne vertoont zig by de oogen van het dier, loopt tot het midden van den rug, en gelykt veel naar hoofdhair. Zyne twee armen en handen zyn twee vleesachtige en gevingerde vinnen. Het wyfje, als zynde een dier, dat haare jongen levendig werpt, heeft borsten, even eens gemaakt, als die van eene vrouw. De staart is volmaakt die van een visch. In veele opzigten gelykt hy naar het Zee-kalf; behalven dat de laatstgemelde geene vinnen op den rug heeft. De-