mende de bajonnetten, waar mede zy geraakt waren, met zig.
Deeze tocht was vooral onäangenaam uit hoofde van de zwaare regenbuien, die strooms-gewyze nedervielen, en de Rivieren deeden overloopen. De vroege ochtend-stonden waren vochtig en koud, en zoo strydig met de ongemeene hitte van den dag, dat wy zeer dikwils in onze hangmatten lagen te beven, vooral wanneer wy 'er met natte kleederen in gegaan waren. Intusschen kwam ik dit ongemak voor, door een gedeelte van den dag, even als de Jagers, half naakt te loopen, en myn hembd, geduurende den regen, onder eene omgekeerde ketel te leggen. Wanneer de regen ophieldt, kleedde ik my, en leed dus veel minder dan myne medgezellen, die zeer bleek en verkleumd waren.
Des avonds van den 23sten, sloegen wy ons neder by eene kleine beek, de Caymans-Kreek genaamd. Zekere boom, den naam van Monbiara dragende, boodt ter deezer plaats eenige uitmuntende vruchten aan, maar die allen door de slaven wierden weggenomen, eer ik 'er van konde proeven, of zelfs één van te zien krygen.
De regen viel by aanhoudenheid zoo sterk, als of wy een zondvloed te vreezen hadden. Den 24sten vervolgden wy onzen weg, en des avonds