'er de voornaame oorzaak van was; vervolgens my by de hand vattende, stondt hy my toe, om tans naar Paramaribo te gaan, of werwaarts ik goedvond, tot dat ik anderen last ontfangen zoude hebben. Deeze behandeling deedt my een innerlyk genoegen, en wy dronken al het overschot onzer vyandschap af, niet met wyn, maar in rhum met water gemengd. Dien zelfden avond derhalven afscheid genomen hebbende, zoo van mynen nieuwen vriend, als van de legerplaats aan de Java-Kreek, zakte ik, zeer wel te vreden zynde, de Rivier af, om my naar de hoofdstad der Volkplanting te begeven.
Na een gedeelte van den weg slapende te hebben overgebracht, bevond ik my des anderen daags morgens te Devil's Harwar, alwaar ik vernam, dat die zelfde GIBHART, van wien ik zoo even sprak, kortlings aldaar was overleden. Des avonds kwamen wy op de Plantagie Beekslied. Myne roeijers arbeidden met veel yver. Om elkander daar toe aan te zetten, kliefde de een het water met zyn riem in diervoegen, dat het een onderscheiden geluid gaf, en zyne medgezellen volgden hem gezamentlyk daar in naar.
Den 3den, kwam ik op het Fort Amsterdam aan, alwaar ik een uitstekend middagmaal deed met onderscheidene zoorten van visch, genaamd