ontsnapt was; dat hy aan den Capitain TULLING, wegens het door hem in stilte aangegaan huwelyk, vergiffenis geschonken hadt; en dat de Lieutenant Colonel DE BORGNES met eene ryke weduwe ging trouwen.
De Bevelhebber was, met één woord gezegd, ten mynen opzigte een geheel ander mensch geworden. Zyne manieren waren toen zoo geschikt, dat ik niet verlangen konde mynen tyd in beter gezelschap door te brengen. Hoe was het mogelyk, dat ik te gelyker tyd de vriend van twee Oversten was, die door nyd jegens elkander gedreven wierden. Dit is een geheim, het welk ik nimmer heb kunnen ontdekken; misschien, daar zy geslagen vyanden waren, wilden zy my beiden winnen. Wat daar ook van zy, ik besloot, de stiptste ononzydigheid in acht te nemen. Ik gedroeg my ook op dezelfde wyze jegens den Gouverneur, die my den tweeden dag na myne aankomst ten eeten verzogt, en, in plaats van my op gezouten ossen-vleesch te onthalen, overënkomstig zyne gewoonte, eene deftige maaltyd liet aanrechten.
Ik gaf ook een bezoek aan myne verdere vrienden, namelyk aan Mevrouw GODEFROY, als mede ten huize van DEMELLY, GORDON, MAC-NEYL; en ik bragt ook zeer vrolyk den