Naar inhoud springen

Pagina:Stedman, Reize naar Surinamen en Guiana Vol 3 (1800).pdf/189

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

nacht zyn gezicht verloor. Des anderen daags voeren wy de Commewyne op, en gingen naar Alkmaar, eene aangenaame Cacao-Plantagie, die aan dezelfde Mevrouw GODEFROY in eigendom toebehoorde. Hier wierden de slaven door haare meesteres behandeld, als haare eigene kinderen, en zy beschouwden allen haar als hunne moeder. Men hoorde aldaar geen geraas van yzeren ketenen, geene zuchtingen; men zag aldaar geen blyk van gestrengheid. Alles was eendracht en vergenoegen. Ik heb reeds bevoorens [1] eene afbeelding gegeven van het voortreffelyk huis en deszelfs toebehooren, op deeze fraaie Plantagie, alwaar onophoudelyk genoegen heerscht, alwaar men de edelste gastvryheid uitoeffent. De tuinen, de velden, de hutten zelfs der Negers, duiden aldaar overvloed en vrede aan.

De Cacao-boomen worden voortgeplant van jong plantsoen, het welk men tot dit einde aankweekt. Men plant dezelven doorgaans op eenen afstand van tien of twaalf voeten van elkander, en zy groeien op tot de hoogte van onze Engelsche Kersseboomen. Maar deeze Plantagiën moeten wel beschut zyn, zoo voor zwaare winden,

  1. Men zie Plaat VIII, te vinden in het 1ste Deel van dit werk, tegen over bladz. 128.