scheepten, vernam ik, dat myne Suiker, en het grootste gedeele van myn Rhum weg waren, maar ik ontdekte den dief door eene aartige list, waar van ik echter niet beweere de uitvinder te zyn. Ik zeide aan zes Negers, die met roeijen bezig waren, dat in zes minuten op den neus van hem, die de schuldigste was, een veder van een Papegaay zoude groeijen: tevens sprak ik eenige woorden uit, die geen zin hadden, en zwaaide twee of drie malen met myn sabel, waar na ik my in de hut opsloot. Ik keek aldaar door het sleutelgat, en hield een naauwkeurig oog op de roeijers, zonder dat zy 'er iets van bemerkten. Spoedig zag ik, dat één van hun, by elken slag met de roeyriem, de hand opligte, en aan zyn neus voelde. Ik kwam dadelyk weder te voorschyn, en regelrecht naar hem loopende, riep ik hem toe: — "Ik zie de veder, schurk! gy zyt de dief." — De arme schelm antwoordde my aanstonds: — "Ja. Masera!" Vervolgens, op de kniën vallende, bad hy den toovenaar, dat hy hem genade bewyzen wilde. De anderen verëenigden zig met hem, en ik schonk deezen bygeloovigen schelm, en zyne medeplichtigen vergiffenis, en gaf hun, om dat zy my de zaak openhartig bekend hadden, een stuk gezouten ossen-vleesch voor hun middagmaal, met een calebas vol rhum en water.
Pagina:Stedman, Reize naar Surinamen en Guiana Vol 3 (1800).pdf/204
Uiterlijk