de doorgaans de Newmara of Barracota, van welken ik reeds gesproken heb.
Onder de onderscheidene visschen, welken ik hier heb zien vangen, vind men de Siliba, die klein is, van eene eyronde gedaante, en gespikkeld als een ananas; de Sokay, die lekker en zeer dik is; de Torro-torro, en nog een genaamd de Tarpoen: de eerste is drie voeten lang, en de tweede, die wit is, omtrent twee voeten, zes duimen.
Den 26sten, zag ik eene jonge Negerin, Clardina genaamd, wier moed, kragt, en gezwindheid ik zeer bewonderde. Een hart, zig van zyne troep hebbende afgezonderd, liep den weg op; deeze vrouw greep hem aan een agterpoot, in het midden van zynen loop; maar hem niet kunnende doen stil staan, liet zy zig een zeer groot einde van den weg voortslepen, en raakte haaren buit niet kwyt, dan na het bekomen van eene zwaare wonde.
De post van de Hoop verschafte toen een aangenaam verblyf. De grond was 'er volmaakt vast, en doorsneden met canalen, waar in by hooge vloeden het water kwam. De heggen, die de tuinen en velden omheinden, waren wel onderhouden, en bragten vrugten en groenten van allerleije zoort voort, die ons tot levensmiddelen dien-