houden. Ik wil echter daar uit niet beslissen, of zy erger of beter zyn.
De Negers zyn omtrent elkanderen zoo welwillend, dat men hun niet behoeft te zeggen: — "Bemint uwen naasten als u zelven.". De armste, onder hen, al heeft hy maar één ey, zal het met allen, die 'er tegenwoordig zyn, verdeelen. Het zelfde zal hy doen met het kleinste glaasjen rhum; maar vooraf zal hy eenige droppels op den grond sprengen, by wyze van wyn-plenging.
Zoo al de wilde volken doorgaans veel edelmoedigheid en goede trouw bezitten, zy hebben ook hunne gebreken, waar onder eene groote wraakzucht gevonden wordt. De grootte van deeze hartstocht in de Negers staat gelyk met die van hunne gevoelens van dankbaarheid; en ik kenne 'er geen één, die aan een ander de hem aangedaane belediging vergeven heeft. Men kan van hun zeggen, dat hunne vriendschap zoo teederhartig, als hunne haat onverzoenlyk is. Even als alle barbaarsche volken, geven zy zig aan verschrikkelyke wreedheden over.
In den laatsten opstand, die in de Volkplanting de Berbices is voorgevallen, ging hunne woede zoo ver, dat zy de vrouwen hunner meesters, schoon zwanger zynd, en in tegenwoordig-