zig op de ligtste ontvelling der huid van iemand, die volmaakt gezond is, plaatst, zy hem met dit verschrikkelyk vergif besmet, waar van de gevolgen zig verscheiden maanden lang doen gevoelen. Men geneest deeze ziekte doorgaans door kwyling en een goeden levensregel, gepaard met eene aanhoudende beweging, die eene overvloedige uitwaasseming te weeg brengt; en zoo lang die geneezing duurt, is de zieke ongemeen mager.
De boassy, of melaatsheid, is nog veel verschrikkelyker, en men beschouwt dezelve als ongeneeslyk. Het aangezicht en de ledematen zwellen in deeze ziekte op, en het geheele lichaam is vol met zweeren. De adem heeft een ondragelyken stank; de hairen vallen uit; de toonen en vingers verrotten, en vallen vervolgens lid voor lid af. Het ongelukkigste van allen is bovendien, dat de ellendeling, die door deeze ongeneeslyke kwaal wordt aangetast, zomtyds verscheiden jaaren lang kwynen kan. Dewyl de melaatschen van natuure tot het minnespel genegen zyn, en hunne ziekte besmettelyk is, moet men hun alle gemeenschap verbieden, en hen veröordeelen tot een altoosduurende ballingschap op den een of anderen hoek der Plantagie.
De clabba-yaws of tubboes zyn ook eene deerlyke en ellendige ziekte, die pynlyke zweeren